Blog

Herschreven

Een gigantische plotfout ontdekt en dus heel het Noorwegen-stuk herschreven vanaf het moment dat Arnulf de UFO’s ziet. Harald mag nu al veel sneller meedoen. Ik heb er meteen ook de fragmenten die ervoor en erna komen en zich in Londen afspelen bijgezet. Het systeem om dat hier in blogberichten te zetten lijkt ondertussen tamelijk onwerkbaar, binnen een paar weken vind een kat daar haar jongen niet meer in terug. Erg postmodern en William-Gibson-achtig allemaal, maar een beetje lineariteit wil ik er toch in houden. Iemand betere ideeën? Drupal-book?

Het was laat, het stormde buiten en Joan Clarke was doodmoe. Ze had vijftien uur aan één stuk code geschreven voor haar nieuwste applicatie. Eigenlijk had ze vijftien uur geprutst aan één weerbarstige functie en was ze nu geen stap verder dan toen ze begon. Perfectionisme had zijn nadelen.

Ze zette haar computer uit en vulde de waterkoker. Regen striemde neer op het glas van de veranda aan haar loft. Af en toe flitste de bliksem, één of twee seconden later gevolgd door een luide donderslag. Onweer vlak boven haar hoofd maakte haar altijd een beetje bang.

Joan liep op blote voeten van het aanrecht naar haar sofa met een kop dampende Earl Grey thee. Ze programmeerde altijd op blote voeten. Maar nu, om twee uur ‘s nachts, was het tijd om te ontspannen. Ze installeerde zich onder een fleece deken en zette de muziekinstallatie aan. Händel. Op de salontafel lag het boek van Murakami dat Joan aan het lezen was. Ze was net drie zinnen ver, toen haar gsm rinkelde. Het was haar verkoopsdirecteur, Rachel Courtland.

“Joan, er is een probleem met de Fransen. Ze willen 10% meer.”

Haar timing was altijd perfect. Maar Joan bleef professioneel.

“Ze krijgen geen 10%. Dat weten ze. Kan dit niet wachten tot morgen.”

-”Blijkbaar zijn ze er nogal mee bezig, Joan. Als deze deal afspringt, dan… Je weet nooit.”

“Dan kunnen we de boeken sluiten, ik weet het.”

Joan dronk van haar gloeiend hete thee, stond op en begon te ijsberen door de kamer. Rachel antwoordde geïrriteerd.

“Je bent verantwoordelijk voor een bedrijf, met aandeelhouders en werknemers. Dit kan niet wachten tot morgen. Het kon eigenlijk al niet wachten tot nu.”

-”Ik ben geen geboren ondernemer, Rachel, dat wist je.”

“Je bent goed in wat je doet, Joan: code schrijven. Erg goed. Maar je bént ook ondernemer, of je dat nu wil of niet. Ofwel neem je een beslissing, ofwel zet je een stap terug.”

Joan stopte met ijsberen en stond stil voor haar boekenkast, met daarin een gesigneerde versie van Privacy on the Line door Susan Landau en Whitfield Diffie, een pioneer in de software-cryptografie.

-”Ik zet een stap terug. Ik zie je morgenochtend op kantoor”.

Ze haakte in en zette haar gsm meteen uit. Ze zou zich morgen wel verontschuldigen. Nu was het tijd voor Earl Grey en Haruki Murakami.

Arnulfs handen trilden terwijl hij de auto inlaadde. Tussen zijn hoofd en schouder hield hij een gsm geklemd, wat zijn gestuntel er alleen maar erger op maakte.

“Ik neem de telelenzen en de statieven mee, maak je geen zorgen.”

Hij had één van de grote tassen niet goed gesloten. De tas viel open en vier aluminium buizen kletterden op de straatstenen.

“Godverdomme. Ik bel je terug!”

Arnulf borg zijn gsm op en zocht de onderdelen van het statief terug bij elkaar. Hij smeet de laatste tas met fotomateriaal in de koffer van zijn stokoude Volvo stationwagen en startte de auto. Ondanks het beperkte vermogen van de versleten gezinswagen vertrok hij met gierende banden. Zo snel mogelijk racete Arnulf door de donkere straten van Oslo, in de richting van de haven.

Onderweg haalde hij z’n gsm opnieuw boven.

“Hallo? Harald? Ik ben onderweg. Zie je ze nog?”

Ongeveer een uur geleden had Harald Kaarbø, secretaris van de lokale UFO-NORGE afdeling, hem in paniek opgebeld. Hij had tijdens één van zijn routine-observaties van de nachtelijke hemel een formatie ufo’s opgemerkt. Meer dan dat, ze waren zo duidelijk zichtbaar dat het zonder twijfel vliegende schotels waren. Arnulf was de fotograaf van de groep en wilde zo’n buitenkans niet missen. Misschien zouden de foto’s zelfs duidelijk genoeg zijn om een buitenaardse oorsprong uit te sluiten, want daar geloofde Arnulf al lang niet meer in.

“Ik ben er bijna, Harald, je zal me zometeen over de heuvel zien komen. Zeg me waar in de lucht ik moet kijken.”

Maar Harald hoefde niets te zeggen. Toen de Volvo van Arnulf de heuvelkam over stuiterde zag hij meteen acht lichtgevende schijven in de lucht; fysische, tastbare voorwerpen. In de heldere nacht leken ze dichterbij dan hij ooit een UFO had gezien.

Arnulf gooide de remmen dicht, parkeerde zijn auto in de berm en stapte uit. Hij hoorde de wind ruisen door het gras en de oververhitte motor van de auto tikken, maar voor de rest was het stil. Een perfect normale Noorse nacht, uitgezonderd de acht vreemde bezoekers in de lucht. Arnulf stond aan de grond genageld.

Pas toen hij voetstappen dichterbij hoorde komen, merkte hij dat Harald er ook was.

“Indrukwekkend, niet? En kijk eens goed, je ziet ongelooflijk veel detail.”

In de zijkant van de vliegende schotels zag Arnulf wat duidelijk ramen waren. Hij moest beter kunnen kijken om zeker te zijn van wat hij zag.

“Harald?”

-”Ja?”

“Haal je de camera uit de koffer van mijn auto, en de telelens?”

Zonder zijn ogen van de lichtgevende schijven af te houden, strompelde Harald naar de Volvo 240. Hij draaide zo snel hij kon de telelens op het fototoestel en gaf het aan Arnulf. Die stelde scherp op één van de UFO’s en drukte voortdurend af. Er was geen twijfel meer mogelijk.

Op de onderkant van de schijven stonden getallen. 43, 22, 87, 34, enzovoort. Midden op de onderkant van elke schijf stond een kleine zwarte swastika. Arnulf maakte nog meer foto’s.

Harald had de symbolen ook al opgemerkt.

“Je krijgt gelijk, Arnulf. Al zeventig jaar houden ze ons aan het lijntje.”

Arnulf verloor elk tijdsbesef terwijl hij foto’s nam van de roerloze toestellen. Minstens een half uur had hij ze geobserveerd, toen de stilte doorbroken werd door straalmotoren. Harald keek eerst achterom.

“F-35s van de Noorse luchtmacht. Drie.”

Ze raasden over hun hoofden, voorbij de acht vliegende schotels. Even verdwenen de vliegtuigen in de verte, maar al snel keerden ze terug naar de onbekende indringers van het Noorse luchtruim. Het was duidelijk dat ze niet meteen geweld zouden gebruiken. Ze hadden geen idee wie ze voor zich hadden.

“Ze maken de vergissing van hun leven,” merkte Harald droogjes op. Voor de tweede keer passeerden de jagers boven Arnulf en Harald. De lichtende schijven kwamen op hun beurt in beweging en bleken erg wendbaar. Alsof de toestellen geen luchtweerstand of inertie ondervonden, schoten ze bliksemsnel uit elkaar en namen een nieuwe formatie aan. Drie achtervolgden de F-35s, de andere vijf volgden trager in een ruimere formatie.

Arnulf richtte zijn telelens op de straaljagers, die intussen stipjes in de verte waren. Hij zag hoe de F-35s, die hun achtervolgers nu hadden opgemerkt, zich wendden om de aanval in te zetten. De achtervolgende schotels weken niet.

“We moeten hier weg, Harald.”

-”Vallen onze vliegtuigen ze aan?”

“Ze gaan het proberen. Ze hebben geen schijn van kans.”

Daar was Arnulf zeker van. Elk van de drie schotels lichtte om beurten even wat feller op, waarop de motoren van de F-35s abrupt uitvielen en ze als onbestuurde projectielen verder vlogen. De vliegtuigen hadden al behoorlijk wat hoogte verloren toen ze boven Arnulf en Harald passeerden. Ze sloegen te pletter aan de overkant van de Oslo fjord, waar een paar huizen stonden. Arnulf nam foto’s van de brandende wrakken en merkte door zijn telelens in de lucht boven de vlammen tientallen identieke vliegende schotels op. Meer en meer kwamen er over de bergkam, in de richting van het stadscentrum. De acht eerste vliegende schotels vlogen langzaam boven hen voorbij om zich bij hen te voegen.

Harald tikte op zijn schouder.

“Het is hier gevaarlijk, Arnulf. We gaan naar Sylling.”

Ze laadden zo snel mogelijk de auto terug in, zwijgend. Beide met hun eigen wagen reden ze de landweg op, weg van Oslo, terwijl in de lucht vliegende schotels, nu allemaal donkere silhouetten, in de tegenovergestelde richting vlogen.

Sylling was een klein onopvallend dorpje vlakbij Oslo, met een kleine tweeduizend inwoners. Harald had er een klein huisje aan de fjord. De donkere weg die erheen leidde was volledig verlaten. In een paar huizen onderweg brandde nog licht, bij de meeste alleen een nachtlamp in het portiek. Het was al half één ‘s nachts en morgen moest iedereen weer gaan werken. Tenminste, dat dachten ze toen ze in bed waren gekropen. Arnulf vroeg zich af of de mensen in al die huizen het vreselijke nieuws pas op het ochtendjournaal zouden horen, of dat ze vroeger uit hun slaap zouden worden gewekt.

Arnulf en Harald parkeerden hun auto op de oprijlaan aan het kleine vakantiehuisje bij de Oslofjord. Het was een klein wit houten huisje. Eenvoudig maar modern ingericht. Veel blank hout en wit, Scandinavische elegantie. Op de bovenverdieping waren er twee grote slaapkamers en een badkamer. Op het gelijkvloers een open keuken annex eetkamer en een aangrenzend salon, met een wat ouderwetse TV. Arnulf zette het toestel meteen aan, eens hij binnen was. Op NRK was de normale laatavondfilm vervangen door een speciale nieuwsuitzending. Een onthutste live-reporter voor een brandend Oslo.

Harald ging in de zetel zitten en staarde zwijgend naar het scherm.

Arnulf herinnerde zich dat ze altijd een fles goeie Whisky in de kast hadden staan, om bijzondere UFO-waarnemingen te vieren. Hij pakte twee glazen en schonk ze beide vol, voller dan normaal. Hij nam een fikse teug van zijn glas en merkte dat zijn hand trilde. Op het TV-scherm waren nu amateurbeelden te zien die Oslo toonden vanop de Ekeberg. Één grote vuurzee met nog voortdurend nieuwe explosies. Arnulf wilde het andere glas Whisky aan Harald geven.

“Drink op. Maar niet te snel, we moeten zometeen plannen wat we nu gaan doen. Hou je hoofd erbij.”

Harald merkte hem niet eens op en bleef naar het scherm turen terwijl Arnulfs hand het glas Whisky naast hem hield. Buiten het geluid van de TV was het muisstil in en rond het kleine vakantiehuis. Heel Noorwegen sliep, terwijl haar hoofdstad brandde.

“Harald?”

Hij keek op naar Arnulf.

“Het gebeurt echt, Arnulf. Het is zover. Wat je altijd gezegd hebt dat zou gebeuren. Ze zijn terug.”

-”Ja, helaas. Niemand geloofde me. Oslo kunnen we niet meer redden, maar we kunnen zelf overleven.”

“Mijn ouders. Ik moet ze bellen.”

Harald nam zijn GSM-toestel uit zijn broekzak en probeerde hen op te bellen. Maar de lijn bleef dood.

“Het netwerk ligt plat. Ik kan ze niet bereiken. Ik moet ernaartoe.”

-”Harald, dat gaat niet. Ze wonen aan de andere kant van Oslo, daar geraak je nu niet. Je kan niets anders doen dan het beste hopen tot de toestand wat kalmeert.”

“Ik had ze daarstraks moeten bellen, toen we die eerste acht toestellen zagen. Onvergeeflijk.”

-”Ze zijn waarschijnlijk ongedeerd, net als wij, Harald, ze wonen ver van het centrum. Als ze wakker worden zoeken ze ongetwijfeld veiliger oorden op. Je ouders zijn gezond, goed ter been en ze panikeren niet snel. Ze redden zich wel.”

“Je hebt gelijk, maar ik wil zo snel mogelijk naar hen toe. Morgen, misschien.”

-”Niemand weet hoe morgen er zal uitzien. Ik weet zelfs niet of we hier wel kunnen blijven tot morgenochtend.”

“Wat is je plan?”

-”Het zal je misschien niet verbazen, maar ik heb hier op voorhand al grondig over nagedacht.”

Harald luisterde aandachtig terwijl Arnulf zijn overlevingsplan uiteenzette.

Joan werd gewekt door een luide knal. Onweer, dacht ze, terwijl ze zich omdraaide. Ze was bijna terug in slaap gevallen toen ze opnieuw een knal hoorde en daarna haar bed voelde daveren. Ze hoorde de glazen en borden in de keuken rinkelen in de kast. Ergens in huis viel iets met een doffe klap op de grond. Toen werd het weer even muisstil. Dat was geen donder.

Ze kon zich niet herinneren dat er zich in Londen ooit een zware aardbeving had voorgedaan. Klaarwakker zat ze nu rechtop in bed. Door de kieren tussen de lamellen van haar slaapkamerraam zag ze een felle lichtflits, en toen was het weer afgelopen met de stilte. Krakend versplinterde het raam een paar seconden later in duizenden stukjes glas. Hevige wind joeg de kamer in en rukte de lamellen los van het raamkozijn. Ze hoorde sirenes in de verte, geen ambulances of brandweer maar ouderwets bomalarm. Onder haar in het gebouw gilden mensen, duidelijk in paniek. Opnieuw een knal, dichtbij. Het gebouw daverde weer en de muren kraakten. Daarna werd het, op het suizen van de wind en de sirenes in de verte na, weer stil.

Joan sprong uit bed en wandelde voorzichtig naar het raam. Wat ze buiten zag leek op een oude oorlogsfoto van zeventig jaar geleden. Brandende en half ingestorte gebouwen, mensen die in paniek de straat op renden. Hier en daar lagen lichamen roerloos neer. Boven in de lucht vlogen geruisloos honderden schijfvormige silhouetten voorbij. De aanvallers, vermoedde ze. Ze had geen idee wie een verrassingsaanval op zo’n schaal zou kunnen organiseren. Zou enkel Londen getroffen zijn, of het hele land? Misschien de hele wereld? Ze ging van het raam weg, en zocht op het nachtkastje naar haar mobiele telefoon. Geen netwerk, dat was te verwachten bij het zien van de ravage buiten. Maar ook geen gemiste oproepen, dat maakte haar wat ongerust. Haar ouders woonden niet ver van de binnenstad en zouden haar ongetwijfeld proberen te bellen als ze konden.

Joan holde naar de woonkamer. Alweer een knal. Iets verder weg, maar toch vloog er een kastdeurtje open van haar commode. Het viel op hoe vredig en normaal haar appartement er uitzag. Alle meubels, de muren, het plafond, het zachte vasttapijt op de grond, alles was nog intact. De oranjerode gloed van buiten zou een prachtige zonsondergang kunnen zijn, alleen een paar omgevallen fotokaders en die ene open kastdeur verrieden dat er iets aan de hand was. Joan zette de televisie aan. Een nieuwslezer in een schaars en ouderwets aangeklede studio, duidelijk een noodlocatie.

“Dit is een nooduitzending door de BBC, in opdracht van de regering van het Verenigd Koninkrijk. Ons land en onze hoofdstad werden aangevallen door een nog onbekende vijand vanuit de lucht. Ook bij onze bondgenoten op het Europese vasteland en in Amerika vonden, en vinden nog steeds aanvallen plaats. De NAVO-top heeft onmiddellijk tot de tegenaanval bevolen en overlegt momenteel op een geheime locatie over verdere acties. Waar mogelijk worden intensieve contacten onderhouden met niet-NAVO landen die ook werden aangevallen. De identiteit van de vijand is voorlopig volledig onbekend, maar het staat vast dat het om een grote en goed georganiseerde troepenmacht gaat.

Het advies aan de bevolking in de getroffen gebieden luidt om zich niet onnodig op straat te begeven. Wie zich in een hoog flat- of kantoorgebouw bevindt, wordt wel aangeraden om zo snel mogelijk het gebouw te verlaten en zich te begeven naar de dichtstbijzijnde schuilkelder, omwille van verhoogd instortingsgevaar. Gebruik in geen geval de liften, maar ga met de trap.

Er is voor zover bekend geen gebruik gemaakt van nucleaire wapens, u hoeft dus niet te vrezen voor schadelijke straling.

Britse legereenheden en hulpdiensten zullen zo snel mogelijk de bevolking ontzetten en evacueren. Wacht tot u hun duidelijk herkenbare voertuigen opmerkt om uw woning te verlaten. Blijf kalm en maak geen misbruik van de situatie om eigendommen te ontvreemden of beschadigen. Degenen die zich schuldig maken aan plundering zullen zwaar bestraft worden.

In landelijke gebieden waar zich geen aanvallen hebben voorgedaan worden momenteel evacuatiecentra opgericht door de burgerbescherming en het leger. Begeef u niet op eigen initiatief naar deze centra. Legereenheden nemen zo snel mogelijk stellingen in doorheen het land om de integriteit van ons grondgebied te waarborgen. Het is dan ook bijzonder gevaarlijk om u te voet of per wagen…”

Toen vlogen met een luide knal alle ramen van het appartement in minuscule splinters uiteen en joeg een hete wind door de woonkamer. De TV viel uit, alles werd donker en het werd stil, op ruisen van de wind na. Geen stroom meer. De gordijnen brandden, het zou niet lang duren voor de meubels en de rest van het appartement volgden.

Joan moest hier weg, op zoek naar een veilige schuilplaats. Ze koos in de badkamer snel de spullen die ze het meest noodzakelijk vond. Tandenborstel, tandpasta, douchegel, een paar washandjes. Ze propte alles in een toilettas en stak die in een kleine reiskoffer die ze altijd bij de hand hield voor last-minute zakenreizen. De nachtjapon die ze nog steeds droeg, verving ze door een comfortabele jeans, T-shirt, een waterdichte jas en sportschoenen. De standaardoutfits in haar reiskoffer, mantelpakjes en een avondjork, verving ze ook door meer praktische kleren.

Ze sloeg de riem van de tas over haar schouder en ging terug naar de woonkamer. De commode stond al in lichterlaaie, brandende gordijnen wapperden in de wind en strooiden gloeiende snippers stof over het vasttapijt. Joan nam haar laptop van de salontafel en stak hem een lege rugzak. Ze propte er nog een stroomkabel, muis en netwerkkabel bij. Ze vroeg zich af of ze nog ergens een werkend stopcontact zou tegenkomen, laat staan Internet.

In de keuken graaide ze een paar blikjes groenten en knakworstjes uit de kast, en een blikopener. In een la vond ze een zaklamp. Nog een paar flessen water en haar hele chocoladevoorraad deden de rugzak zwaar doorwegen, ze kreeg ‘m nog maar met moeite gesloten.

Toen Joan al bij de voordeur stond, kwam ze op het idee om alle batterijen in het appartement te verzamelen. In een lade van haar wandmeubel lag een hele voorraad die ze snel in alle extra netjes en zijzakjes van de rugzak stopte. Nu kon er écht niets meer bij. Ze voelde de hitte van het vuur dat vlakbij brandde, de rook prikte in haar ogen. Ze hees de rugzak op haar rug, schikte de schoudertas zodat die niet van haar arm kon glijden, wierp nog een laatste blik op haar brandende woonkamer en stapte de lege, donkere gang in. Ze wilde de voordeur van haar appartement op slot doen, toen ze zich realiseerde hoe zinloos dat was. Joan knipte haar zaklamp aan en scheen hem in de richting van het trappenhuis. De weg was vrij.

Reageer