Het moet weer lukken.
Deze week heb ik The World Without Us uitgelezen, en vandaag heb ik The Road gezien. De combinatie van beide kleurt mijn wereldbeeld ietwat somber in. Of laten we zeggen dat ik de kleine dingen in ‘t leven meer heb leren appreciëren. Dat klinkt al positiever.
De laatste doet het licht uit
The World Without Us, van Alan Weisman, beschrijft hoe de wereld er zou uitzien als de mens van de ene dag op de andere zou verdwijnen. Het komt er op neer dat er binnen een paar honderd jaar nog nauwelijks iets van onze aanwezigheid zou te merken zijn. Tenzij dan plaatselijke ‘hot zones’ van radio-activiteit waar kerncentrales gestaan hebben. Want die volgen onvermijdelijk allemaal het voorbeeld van Chernobyl zonder menselijke supervisie. En POPs, die zullen bij het opslokken van de aarde door de zon, binnen ongeveer vijf miljard jaar, nog altijd ergens diep verscholen in graniet terug te vinden zijn als raadselachtig overblijfsel van intelligent leven.
Bronzen beelden zouden ook nog ver in de toekomst terug te vinden zijn, doordat ze eigenlijk voor het grootste deel uit het edelmetaal koper bestaan. Staal en beton gaan gewoon weer op in de natuur. Plastic verpulvert tot onherkenbaar poeder, maar zal niet snel verdwijnen.
Een bijzonder fascinerend hoofdstuk is dat over de Maya-beschaving, die mysterieus in elkaar stortte tijdens de achtste-negende eeuw. Heelder stukken regenwoud waarvan je op het eerste zich zou denken dat ze er altijd al geweest zijn, waren iets meer dan duizend jaar geleden bloeiende stadscentra. Er zijn nu satellietbeelden nodig om de monumentale gebouwen terug te vinden, ze worden nogal eens verward met heuvels.
Vader en zoon
The Road is eigenlijk net het omgekeerde. Door een catastrofe -er wordt nooit uitgelegd wat precies, en da’s een van de sterktes van de film- ligt de hele wereld letterlijk in as. Quasi alle leven is dood, er zijn voortdurend stormen en aardbevingen en branden woeden onbeperkt. Over alles ligt een fijne laag grauw stof. Hetgeen overblijft van de mensheid is nauwelijks nog die naam waardig. De meesten leven in kannibalistische stammen en jagen op rondtrekkende vluchtelingen/nomaden. Je kan het ze nauwelijks kwalijk nemen. Het is geen prettige wereld, zonder vogels, zonder insecten, zonder het minste sprietje groen en met werkelijk niets om te eten.
De film is een bewerking van de gelijknamige roman van Corman McCarthy die in 2007 de Pulitzer Prize voor Amerikaanse fictie won. Het verhaal gaat over een vader die met zijn elfjarige zoon door een verwoest Amerika naar ‘het zuiden’ trekt. De man en zijn zoon -ze worden nooit bij naam genoemd- proberen hun menselijke waardigheid in die uitzichtloze toestand te bewaren. De moeder heeft een paar jaar na de geboorte van haar zoon zelfmoord gepleegd, waarna vader en zoon hun reis zijn begonnen. Al wat ze nog hebben past in een winkelkarretje.
De film gaat vooral over de relatie tussen vader en zoon, en hun sterke band. Ze zijn voor elkaar het enige wat echt bestaat in de wereld. De vader probeert zijn zoon te beschermen tegen ‘slechte mensen’, de zoon probeert hem eraan te herinneren dat ze zelf menselijk moeten blijven. Laat je niet misleiden door de vreselijke trailers, het is geen The Fugitive of Mad Max-achtige achtervolgingsfilm.
De regisseur heeft er bewust voor gekozen om vooral echte plaatsen te gebruiken als decor. Uitgebrande pretparken, desolate stukken Pennsylvania en New Orleans na Katrina waren onder andere de locaties. Geen epische CGI-scènes of over-the-top effecten dus.
De film doet je ook beseffen hoe essentieel de biosfeer is voor ons bestaan. Je ziet met eigen ogen hoe de wereld er ongeveer zou uitzien met alleen maar mensen. En dat komt aan.
Ik kan ze beide aanraden, The Road nog iets meer. Zeker voor vaders met zonen.